|
Terug
- Economische en Sociale Ontwikkeling
Economische
ontwikkeling
De laatste decennia maakt de wereld een enorme economische ontwikkeling
door, maar het genereren van rijkdom en welzijn gebeurt heel ongelijk,
zo ongelijk dat economische wanverhoudingen vrijwel overal ter wereld
sociale problemen en politieke instabiliteit in de hand werken. Het
einde van de Koude Oorlog en de snelle totstandkoming van een mondiaal
economisch bestel hebben de aanhoudende problemen van extreme armoede,
schuldenlasten, onderontwikkeling en onevenwichtige handelsrelaties
niet kunnen oplossen.
Een van de basisprincipes van de Verenigde Naties is de overtuiging
dat economische ontwikkeling voor alle volken onbetwistbaar een van
de beste manieren is om politieke, economische en sociale zekerheid
te verwerven. De voornaamste zorg van de VN is dat vrijwel de helft
van de wereldbevolking – vooral levend in Afrika, Azië,
Latijns-Amerika en het Caribisch gebied – moet rondkomen met
minder dan twee dollar per dag. Ongeveer 860 miljoen mensen zijn ongeletterd,
meer dan 100 miljoen kinderen kunnen niet naar school, meer dan een
miljard wereldbewoners hebben geen toegang tot zuiver drinkwater en
ongeveer 2,4 miljard mensen – meer dan een derde van de wereldbevolking
– ontberen degelijke gezondheidszorg. Eind 2002 waren er wereldwijd
180 miljoen werklozen, terwijl het aantal ‘werkende armen’
– die minder dan één dollar per dag verdienen
– is opgelopen tot 550 miljoen.
De VN is de enige instelling die wegen zoekt om economische groei
en globalisering te bewerkstelligen op basis van een beleid dat instaat
voor menselijk welzijn, duurzame ontwikkeling, de uitroeiing van armoede,
eerlijke handelspraktijken en vermindering van een verlammende buitenlandse
schuld.
De VN dringt aan op spoedige invoering van een macro-economisch beleid
dat de bestaande ongelijkheid moet aanpakken. Hierbij gaat het vooral
om de groeiende kloof tussen noord en zuid, de aanhoudende problemen
van de minst ontwikkelde landen en de nieuwe problemen van landen
die overstappen van een centraal geleide economie naar een vrijemarkteconomie.
In de hele wereld bevorderen VN-hulpprogramma’s armoedebestrijding,
de overlevingskansen van kinderen, milieubescherming, de vooruitgang
van vrouwen en de mensenrechten. Voor miljoenen mensen in arme landen
zijn deze programma’s de Verenigde Naties.
Officiële
ontwikkelingssteun
Met hun beleid en hun leningen hebben de kredietverstrekkende instanties
binnen het VN-systeem samen een enorme invloed op de economieën
van ontwikkelingslanden. Dit geldt met name voor de minst ontwikkelde
landen (MOL’s) – 49 staten die gezien hun extreme armoede
en torenhoge schuldenlast niet kunnen profiteren van de mondiale economische
groei en ontwikkeling. Verscheidene VN-hulpprogramma’s richten
zich prioritair op deze overwegend Afrikaanse landen.
Kleine eilandstaten in ontwikkeling, landen zonder zeehavens en ook
overgangseconomieën hebben te kampen met specifieke problemen
die alle aandacht eisen van de internationale gemeenschap en vormen
eveneens een primair aandachtsveld van de hulpprogramma’s binnen
het VN-systeem evenals de officiële ontwikkelingssteun (ODA)
van lidstaten.
In 1970 heeft de Algemene Vergadering het streefdoel voor ODA gesteld
op 0,7 procent van het bruto nationaal inkomen (BNI). Jarenlang haalden
de leden van het Development Assistance Committee (DAC) van de Organisatie
voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) – dat momenteel
220 geïndustrialiseerde landen en de Europese Commissie omvat
– ongeveer de helft daarvan.
In de jaren negentig is de ODA gedaald tot een absoluut dieptepunt.
Toch ging van dit beperkte bedrag meer steun naar sociale basisvoorzieningen
– van 4 procent van de ODA in 1995 tot 14 procent in 2000 (bijna
4 miljard dollar). Meer dan vier vijfde van de hulp was niet langer
gekoppeld aan het verwerven van goederen en diensten in het donorland.
Na de eeuwwisseling is de officiële ontwikkelingssteun weer toegenomen.
Bij de DAC-leden was de totale ODA in 2003 gestegen tot ongeveer 0,25%
van het gezamenlijke BNI. In nominale en reële termen had de
steun met 68,5 miljard dollar een absoluut maximum bereikt.
Tot op heden hebben slechts vijf landen – Denemarken, Luxemburg,
Nederland, Noorwegen en Zweden – het streefdoel voor ODA van
0,7 procent bereikt en gehandhaafd. Ook hebben zij de norm van 0,15
procent van het BNP gehaald die in 1981 op de eerste VN-Conferentie
over de Minst Ontwikkelde Landen werd vastgesteld.
Op de Internationale Conferentie voor Financiering van Ontwikkeling
in 2002 in Monterrey (Mexico) hebben de belangrijkste donorlanden
beloofd hun ODA te verhogen als een eerste belangrijke stap om de
neergaande trend te keren die in de jaren negentig was ontstaan. Daarbij
heeft men verklaard de steun vooral te willen besteden aan het uitbannen
van armoede, aan onderwijs en aan gezondheidszorg (zie inzet).
ODA van de VN is afkomstig uit twee bronnen: subsidies van de gespecialiseerde
agentschappen, programma’s en fondsen van de VN, en leningen
verschaft door instellingen binnen het VN-systeem, in het bijzonder
door de Wereldbank en IFAD.
Internationale
Conferentie voor de Financiering van Ontwikkeling (www.un.org/esa/ffd)
De Internationale Conferentie voor de Financiering van Ontwikkeling
had plaats van 18 tot 22 maart 2002 in het Mexicaanse Monterrey.
Deze door de VN belegde conferentie over urgente financiële
en ontwikkelingsgerelateerde kwesties werd bijgewoond door 50
staatshoofden of regeringsleiders en meer dan 200 ministers. Voorts
aanwezig waren prominenten uit het bedrijfsleven en maatschappelijke
organisaties, evenals vertegenwoordigers van alle grote intergouvernementele
instanties op het vlak van financiën, handel, economie en
monetaire beleid.
Op de conferentie werden voor het eerst vanuit vier belangrijke
hoeken – regeringen, maatschappelijke organisaties, het
bedrijfsleven en institutionele belanghebbenden – ideeën
uitgewisseld over wereldomspannende economische kwesties. Er waren
meer dan 800 deelnemers voor twaalf aparte rondetafelconferenties
onder het gedeelde voorzitterschap van regeringsleiders, directeuren
van de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldhandelsorganisatie
en regionale ontwikkelingsbanken, en door ministers van financiën,
buitenlandse handel en buitenlandse zaken. Het slotdocument van
de conferentie, de zogeheten ‘Consensus van Monterrey’,
geeft een beeld van de nieuwe globale aanpak voor de financiering
van ontwikkeling.
Aansluitend heeft de Algemene Vergadering besloten haar dialoog
op het allerhoogste niveau over het verstevigen van de internationale
samenwerking bij ontwikkeling opnieuw aan te merken als richtsnoer
voor intergouvernementele actie ter toetsing van de conferentie
en aanverwante kwesties – dit overleg zal op alle oneven
jaren vanaf 2003 worden gevoerd.Die dialoog handelt over het te
voeren beleid – waaraan alle betrokken partijen deelnemen
– bij de tenuitvoerlegging van de uitkomsten van de conferentie
en over het coherent en consistent functioneren van de internationale
systemen ter ondersteuning van ontwikkeling op het vlak van monetair
beleid, financiën en handel.
De Vergadering heeft ook besloten om elk voorjaar gesprekken te
organiseren tussen vertegenwoordigers van de Economische en Sociale
Raad, de directeuren van de uitvoerende raad van de Wereldbank
en het IMF, en vertegenwoordigers van de relevante intergouvernementele
organen van de Wereldhandelsorganisatie. Tijdens de gespreksronde
in april 2002 hadden er ook rondetafelconferenties plaats met
vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en uit het
bedrijfsleven.
De vierde Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie
die in 2001 in Doha (Qatar) werd gehouden heeft zich ook gebogen
over de middelen om duurzame ontwikkeling te realiseren. De vijfde
Ministeriële Conferentie in Cancun (Mexico) in september
2003 heeft de werkzaamheden vervolgd op basis van de Verklaring
van Doha. |
In 2003 heeft
de Wereldbank 18,5 miljard dollar verstrekt aan een honderdtal ontwikkelingslanden.
IFAD stelt elk jaar meer dan 450 miljoen dollar aan leningen en subsidies
beschikbaar, en financierde sinds zijn oprichting in 1977 wereldwijd
633 projecten – met leningen voor een totaal van 7,7 miljard
dollar en subsidies ten belope van 35,4 miljoen dollar. Daarnaast
beschermt het IMF het internationale monetaire en financiële
systeem met dialoog, beleidsadvies, technische ondersteuning en leningen.
De financiering van de ontwikkelingsactiviteiten van de VN bereikte
in 2001 met 7,1 miljard dollar – een stijging van 17% in vergelijking
met 2000 – het hoogste niveau ooit (excl. de Wereldbankgroep).
Dit was de op een na hoogste stijging van de afgelopen tien jaar.
In 1998 noteerde men een toename met 19 procent en dat jaar werd er
5,7 miljard dollar verstrekt. ODA van VN-organen, -fondsen en programma’s
wordt over de verschillende noodlijdende landen verdeeld.
Ontwikkeling wereldwijd stimuleren
Het Ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) is de
ontwikkelingsorganisatie voor de ontwikkelingslanden die een cruciale
bijdrage wil leveren bij het halveren van de armoede in de wereld
tegen 2015. UNDP biedt degelijke beleidsadviezen en ondersteunt overheidsinstellingen
bij het creëren van een kader om te koment tot rechtvaardige
economische groei.
Met een wereldwijd netwerk van 166 regionale kantoren zet UNDP zich
ter plaatse in om mensen te helpen zichzelf te helpen. Het programma
houdt zich vooral bezig met het bijstaan van landen bij het vinden
en uitwisselen van oplossingen voor kwesties als democratisch bestuur,
armoedeverlichting, crisispreventie en wederopbouw na gewelddadige
conflicten of natuurrampen, energie, milieu en duurzame ontwikkeling,
informatie- en communicatietechnologie, en het indijken van de HIV/aids-epidemie.
Op al deze gebieden pleit UNDP voor de bescherming van de mensenrechten
en met name voor de bevordering van de participatie van vrouwen. Het
is een praktijkgerichte organisatie waarvan de meeste stafleden werken
in de landen waar mensen hulp nodig hebben.
Het merendeel van de kernprogrammafondsen van UNDP gaat naar die landen
waar ’s werelds armste bevolking woont. In 2002 leefden er bijna
1,2 miljard mensen in extreme armoede. Ze verdienden niet meer dan
1 dollar per dag. De bijdragen voor de ontwikkelingssteun van UNDP
bereikten met 2,8 miljard dollar in 2002 een absolute top. Bijna alle
landen van de wereld storten vrijwillig bijdragen aan UNDP. Landen
die UNDP-steun krijgen, dragen bij in de projectkosten met personeel,
faciliteiten, uitrusting en bevoorrading.
Om maximaal te kunnen profiteren van de internationale ontwikkelingsmiddelen,
coördineert UNDP zijn activiteiten met andere VN-fondsen en -programma’s,
en met internationale financiële instellingen zoals de Wereldbank
en het IMF. Daarnaast doen de regionale en landelijke programma’s
van UNDP een beroep op de deskundigheid van NGO’s en van inwoners
van ontwikkelingslanden. Driekwart van alle UNDP-projecten worden
uitgevoerd door lokale organisaties).
Afrika:
prioriteit voor de Verenigde Naties
Bezorgdheid bij de internationale gemeenschap heeft ertoe geleid
dat de precaire economische situatie in Afrika een belangrijke
prioriteit van de VN is. De VN wil de ontwikkeling van de regio
stimuleren en zet daartoe speciale programma’s op die zich
richten op duurzame oplossingen voor de buitenlandse schuld en
problemen met aflossingen; het stimuleren van rechtstreekse buitenlandse
investeringen; de opbouw van lokale knowhow; het opheffen van
het gebrek aan binnenlandse middelen voor ontwikkeling; het bevorderen
van de integratie van Afrikaanse landen in de internationale handel;
en de bestrijding van aids.
In 1996 heeft de Algemene Vergadering het Speciale Initiatief
voor Afrika geïntroduceerd. Met dat initiatief streeft
het ILO-programma ‘Jobs for Africa’ ernaar nationale
en regionale instellingen en netwerken te voorzien van de nodige
capaciteit om armoede te bestrijden via werkgelegenheid. Het initiatief
Afrika 2000 van UNDP biedt vrouwen op het platteland
ondersteuning bij activiteiten rond duurzame ontwikkeling, terwijl
UNESCO, UNICEF en de Werelbank zich met hun activiteiten richten
op het verbeteren van elementaire scholing in landen waar het
basisonderwijs nog slecht ontwikkeld is.
Het Speciale Initiatief werd afgesloten in 2002 na een evaluatie
door de Algemene Vergadering die zich in dat jaar achter het Nieuwe
Partnerschap voor de Ontwikkeling van Afrika (NEPAD)
heeft geschaard. NEPAD is een door Afrikaanse landen geïntroduceerd
en geleid initiatief, dat in juli 2001 werd gelanceerd door de
Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (nu de Afrikaanse Unie) als
raamwerk voor internationale inspanningen voor de ontwikkeling
van Afrika.
De VN steunt dit initiatief op nationaal, regionaal en internationaal
niveau met activiteiten in het kader van het Raamwerk voor VN-ontwikkelingssteun
(UNDAF) en programma’s onder leiding van de Economische
Commissie voor Afrika die een structuur bieden voor betere coördinatie
en samenwerking op subregionaal en regionaal niveau. Het Bureau
van de speciale adviseur voor Afrika rapporteert over de steun
van het VN-systeem en de internationale gemeenschap, en coördineert
de internationale inspanningen ter ondersteuning van het Nieuwe
Partnerschap.
Het Gezamenlijk VN-programma inzake HIV/aids (UNAIDS) heeft de
campagne tegen HIV/aids in Afrika extra impulsen gegeven. In een
poging een zo breed mogelijke basis te vormen, heeft UNAIDS regeringen,
regionale organen, ontwikkelingsinstanties, NGO’s en het
bedrijfsleven, waaronder ook farmaceutische ondernemingen, samengebracht
onder de overkoepelende organisatie International Partnership
Against Aids in Africa.
De Secretaris-Generaal en de VN-agentschappen hebben de geïndustrialiseerde
landen opgeroepen de economische obstakels voor Afrika te reduceren
door meer schuldverlichting, verlaging van tarieven die de Afrikaanse
export benadelen en meer officiële ontwikkelingssteun. De
VN koppelt haar activiteiten aan andere ontwikkelingsinitiatieven
zoals de Internationale Conferentie van Tokio voor Afrikaanse
ontwikkeling, het Initiatief voor arme landen met een
zware schuldenlast en de Alliantie voor industrialisering in Afrika. |
Op landelijk niveau
stimuleert UNDP een geïntegreerde aanpak voor de inzet van VN-ontwikkelingssteun.
In veel ontwikkelingslanden heeft UNDP een Raamwerk voor VN-ontwikkelingssteun
(UNDAF) opgezet bestaande uit VN-teams onder leiding van
de lokale Residerend VN-coördinator (die vaak ook de Residerend
UNDP-vertegenwoordiger is). Die Raamwerken stippelen in nauwe samenspraak
een strategie uit om het hoofd te bieden aan de belangrijkste ontwikkelingsproblemen
die regeringen aan de VN voorleggen. Residerend Coördinatoren
treden op als de centrale organisator van noodhulp bij humanitaire
crises, natuurrampen en complexe noodsituaties.
Samen met de Wereldbank en het Milieuprogramma van de VN (UNEP) bestuurt
UNDP het Mondiaal Milieusteunpunt (de Global Environment
Facility of GEF). Ook is UNDP een van de sponsors van het Gezamenlijke
VN-programma inzake HIV/aids (UNAIDS).
Lenen voor
ontwikkeling
De Wereldbank, vroeger bekend als de Internationale Bank voor Wederopbouw
en Ontwikkeling of IBRD, zorgt in meer dan 100 ontwikkelingslanden
voor financiering en technische bijstand om landen te helpen bij de
armoedebestrijding. De Wereldbank is vandaag betrokken bij meer dan
1800 projecten in vrijwel elke sector in bijna alle ontwikkelingslanden.
Hulp varieert van microkredieten in Bosnië-Herzegovina en anti-aidscampagnes
in Guinea, tot onderwijs voor meisjes in Bangladesh en het verbeteren
van de gezondheidszorg in Mexico, en van steun bij de wederopbouw
van Timor-Leste na de onafhankelijkheid tot de wederopbouw van de
Indiase stad Gujarat na de verwoestende aardbeving.
Als een van ’s werelds belangrijkste bronnen van ontwikkelingssteun,
steunt de Wereldbank regeringen van ontwikkelingslanden d.m.v. terug
te betalen leningen bij de bouw van scholen en gezondheidscentra,
water- en stroomvoorziening, ziektebestrijding en milieubehoud. Ontwikkelingslanden
lenen van de bank omdat ze kapitaal, technische bijstand en beleidsadvies
nodig hebben.
Er bestaan twee types leningen. Het eerste type is voor de ontwikkelingslanden
met een iets hoger inkomen die soms ook kunnen lenen van commerciële
instellingen, zij het tegen hoge rentevoeten. De IBRD verstrekt deze
landen leningen met terugbetalingstermijnen die langer zijn dan die
van commerciële banken – 15 tot 20 jaar met drie tot vijf
jaar uitstel voor de terugbetaling van de eerste aflossing. Er wordt
geld geleend voor specifieke programma’s voor armoedebestrijding,
sociale dienstverlening, milieubescherming en economische groei. In
het fiscale jaar 2003 verstrekte de IBRD leningen voor een totaal
van 11,2 miljard dollar ter ondersteuning van 99 nieuwe projecten
in 37 landen. De bank, die over een AAA-rating beschikt, zamelt vrijwel
al haar middelen in door de verkoop van obligaties op de financiële
markten.
Het tweede type lening is bedoeld voor de armste landen die meestal
onvoldoende kredietwaardig zijn voor de internationale financiële
markten en die een bijna-marktconforme rente op leningen niet kunnen
opbrengen. Deze leningen aan de armste landen worden verstrekt door
de Internationale Ontwikkelingsassociatie (IDA), een aan de Wereldbank
gelieerde instelling. IDA steunt in belangrijke mate op bijdragen
van 40 rijke lidstaten en helpt de armste landen in de wereld door
subsidies en kredieten te verstrekken. Deze ‘kredieten’
zijn in feite renteloze leningen met looptijden van 35 tot 40, waarvan
de eerste tien jaar aflossingsvrij zijn. In het fiscale jaar 2003
leende IDA 7,3 miljard dollar voor de financiering van 141 nieuwe
projecten in 55 arme landen. IDA is ’s werelds grootste verstrekker
van dergelijke ‘zachte’ leningen.
Volgens haar reglement kan de Bank alleen leningen verstrekken aan
regeringen, maar de instelling werkt niettemin nauw samen met lokale
gemeenschappen, NGO’s en het bedrijfsleven. De projecten zijn
gericht op de armste bevolkingsgroepen. Als ontwikkeling kans van
slagen wil hebben, moeten regeringen en gemeenschappen hun ontwikkelingsprojecten
‘bezitten’ – het heft in eigen handen nemen. De
Bank moedigt regeringen aan nauw samen te werken met NGO’s en
maatschappelijke organisaties om zich te verzekeren van de medewerking
van de mensen die het nauwst betrokken zijn bij de door de Bank gefinancierde
projecten. NGO’s in ontlenende landen werken mee aan ongeveer
de helft van deze projecten.
Als pleitbezorger voor een stabiel economisch beleid, gezonde overheidsfinanciën,
en een open, eerlijk en verantwoordelijk bestuur, stimuleert de Bank
ook het bedrijfsleven. De Bank biedt ondersteuning in tal van sectoren
waarin het bedrijfsleven snelle vorderingen maakt – financiën,
stroomvoorziening, telecommunicatie, informatietechnologie, olie en
gas, en goederenproductie. De reglementen verbieden de Bank rechtstreekse
leningen te verstrekken aan het bedrijfsleven, maar een met de Bank
geaffilieerde instelling, de Internationale Financieringsmaatschappij
(IFC) is juist opgericht om risicovolle sectoren en landen
steunen en te investeren in particuliere ondernemingen. Een andere
geaffilieerde instelling, het Agentschap voor Garanties op
Multilaterale Investeringen (MIGA), verstrekt verzekeringen
voor politieke risico’s (garanties) aan investeerders en kredietverstrekkers
in ontwikkelingslanden.
Maar de Wereldbank doet veel meer dan alleen geld lenen. Ze biedt
gewoonlijk ook technische ondersteuning bij de projecten die ze financiert.
Dit kan advies zijn over kwesties zoals de algehele grootte van de
begroting van een land waaraan het geld moet worden toegekend, hoe
in dorpen gezondheidscentra moeten worden opgezet of welke uitrusting
nodig is om een weg aan te leggen. Jaarlijks financiert de Bank een
paar projecten die exclusief zijn gericht op het bieden van deskundig
advies en opleiding. Ze verzorgt ook de opleiding van mensen uit ontlenende
landen voor het opzetten en uitvoeren van ontwikkelingsprogramma’s.
Op het vlak van duurzame ontwikkeling, steunt de IBRD projecten voor
herbebossing en controle op milieuverontreiniging en ruimtelijke ordening;
water, afvalverwerking en landbouw; en het behoud van de natuurlijke
rijkdommen. Daarnaast is de Bank ook de belangrijkste financier van
het Mondiale Milieusteunpunt. De laatste jaren heeft de bank veel
middelen vrijgemaakt voor de Heavily Indebted Poor Countries (HIPC’s).
Het HIPC-initiatief heeft de schuldenlast van 26 arme landen verlicht
zodat ze op termijn 41 miljard dollar kunnen uitsparen. De Wereldbank
is ook ’s werelds grootste financier van HIV/aids-programma’s.
Op dit moment gaat het hier om een bedrag van meer dan 1,3 miljard
dollar, waarvan de helft is bestemd voor zuidelijk Afrika.
Lenen voor stabiliteit
Veel landen wenden zich tot het Internationaal Monetair Fonds
(IMF) wanneer
interne of externe factoren hun betalingsbalans, fiscale stabiliteit
of aflossingsverplichtingen in gevaar brengen. Het IMF, een gespecialiseerde
organisatie van de VN, biedt advies en doet beleidsaanbevelingen om
dergelijke problemen op te lossen. Het IMF stelt vaak financiële
middelen ter beschikking aan lidstaten ter ondersteuning van hun economische
hervormingsprogramma’s.
Lidstaten met een onevenwichtige betalingsbalans maken meestal gebruik
van de financiële hulpmiddelen van de IMF door reserves te ‘kopen’
in de vorm van deviezen van andere lidstaten of van speciale trekkingsrechten,
met een equivalente hoeveelheid eigen deviezen. Het IMF rekent kosten
aan voor deze leningen en eist dat de leden de leningen terugbetalen
door binnen een bepaalde termijn hun eigen valuta van het IMF terug
te kopen.
De belangrijkste IMF-faciliteiten zijn:
Stand-by arrangements (ad-hocregelingen): voor kortlopende
ondersteuning van balansproblemen van tijdelijke of cyclische aard;
moeten binnen vijf jaar worden terugbetaald.
Extended Fund Facility (verruimde fondsenvoorziening): ter
ondersteuning van middellange programma’s om moeilijkheden met
de betalingsbalans te ondervangen die zijn veroorzaakt door macro-economische
of structurele problemen; moeten binnen tien jaar worden terugbetaald.
Poverty Reduction and Growth Facility (voorziening voor armoedebestrijding
en groei): een concessionaire faciliteit voor lidstaten met een laag
inkomen, specifiek bedoeld om armoede te verlichten. Lidstaten die
voor deze financiering in aanmerking komen, kunnen tot 140 procent
van hun quota lenen in het kader van een driejarig contract (tot 185
procent in uitzonderlijke omstandigheden). Voor de leningen wordt
een jaarlijkse rente van 0,5% aangerekend en terugbetalingen moeten
51⁄2 jaar na uitbetaling aanvangen en na uiterlijk 10 jaar zijn
afbetaald.
Compensatory Financing Facility (overbruggingsvoorziening):
biedt tijdelijke financiering aan leden met een tijdelijk exportdeficit
of buitensporig hoge kosten voor de graanimport.
Contingent Credit Lines (risicobeperkende kredietlijnen):
bedoeld om uitdijing van een crisis te voorkomen door landen die een
gezond beleid nastreven bij een dreigende crisis, onmiddellijk toegang
te bieden tot kapitaal.
Supplemental Reserve Facility (voorziening voor extra reserves):
biedt financiële steun bij uitzonderlijke moeilijkheden met de
betalingsbalans, veroorzaakt door grote, acute geldnood als gevolg
van een plotseling en ontregelend wegvallen van het vertrouwen in
de markt. Terugbetalingen gebeuren binnen 11⁄2 jaar, maar deze
periode kan worden verlengd tot 21⁄2 jaar.
Het IMF en de Wereldbank bieden in het kader van het Initiatief voor
arme landen met een zware schuldenlast (HIPC) uitzonderlijke steun
aan deze landen, mits ze een gezond beleid voeren. Landen die daarvoor
in aanmerking komen, kunnen zo hun buitenlandse schuld terugschroeven
tot een aanvaardbaar niveau en hun betalingverplichtingen nakomen
zonder bijkomende schuldverlichting. Het is een uitgebreide vorm van
schuldverlichting met medewerking van multilaterale, officiële,
bilaterale en commerciële crediteuren.
Door zijn toezicht waakt het IMF over koersontwikkelingen binnen lidstaten
aan de hand van een algehele analyse van de algemene economische situatie
en van het beleid van elke lidstaat. IMF-controle gebeurt in de vorm
van jaarlijks overleg met de individuele leden; multilaterale controle
twee maal per jaar; regionale controle via besprekingen met regionale
groeperingen. Voorts werkt het IMF met voorzorgsmaatregelen en met
versterkte controle en toezicht op programma’s waarbij een lid
in aanmerking komt voor extra IMF-toezicht als het geen gebruik maakt
van IMF-middelen.
Het IMF biedt op uiteenlopende vlakken technische steun aan zijn leden:
het ontwerpen en invoeren van fiscaal en monetair beleid; de versterking
of opbouw van instellingen zoals een centrale bank of ministerie van
Financiën; en het verzamelen en verwerken van statistische gegevens.
Het IMF organiseert ook opleidingen voor functionarissen uit de lidstaten.
Dat gebeurt aan de IMF-instituten in Washington D.C., Abidjan (Ivoorkust),
Singapore en Wenen.
Investeringen en ontwikkeling
Rechtstreekse buitenlandse investeringen nemen in omvang sterk toe
en ontwikkelingslanden stellen hun economieën ook meer en meer
open voor dergelijke kapitaalstromen. Verschillende organisaties binnen
het VN-systeem houden toezicht op die investeringen door trends en
ontwikkelingen te volgen en bovendien helpen ze regeringen van ontwikkelingslanden
ook bij het aantrekken van zulke directe investeringen – dat
laatste geschiedt door tussenkomst van FAO, UNDP en UNIDO.
Twee geaffilieerde organisaties van de Wereldbank – de Internationale
Financieringsmaatschappij (IFC) en het Agentschap voor Garanties
op Multilaterale Investeringen (MIGA) – bevorderen investeringen
in ontwikkelingslanden. De Internationale Financieringsmaatschappij
(IFC) adviseert regeringen bij het creëren van de juiste voorwaarden
om de stroom van particuliere spaartegoeden en investeringen uit binnen-
en buitenland te stimuleren. De IFC stimuleert en mobiliseert particuliere
investeringen in de ontwikkelingslanden door aan te tonen dat investeringen
daar rendabeler kunnen zijn. Vanaf de stichting in 1956 tot en met
het boekjaar 2002 heeft IFC meer dan 34 miljard dollar uit eigen middelen
aangewend en het voortouw genomen bij het verzamelen aan 21 miljard
dollar aan syndicaatleningen voor zo’n 2825 ondernemingen in
140 ontwikkelingslanden.
Het Agentschap voor Garanties op Multilaterale Investeringen
(MIGA) is gelieerd aan de bank als een instantie die instaat
voor het waarborgen van investeringen. Het doel is de stroom van particuliere
investeringen voor productiedoeleinden in ontwikkelingslanden te bevorderen
door investeerders langlopende garanties te bieden tegen politieke
risico’s – zoals dekking van het risico van onteigening,
valutaoverdracht, oorlog en onlusten – en op te treden als adviesorgaan.
Het MIGA organiseert promotiecampagnes, verspreidt informatie over
investeringsmogelijkheden en biedt technische steun die de aantrekkelijkheid
van landen voor investeerders moet vergroten. Sinds de oprichting
in 1988 heeft MIGA meer dan 650 garanties verstrekt voor projecten
in 85 ontwikkelingslanden. Dit heeft meer dan 50 miljard dollar opgebracht
aan directe buitenlandse investeringen.
De Conferentie van de VN inzake Handel en Ontwikkeling (UNCTAD) helpt
ontwikkelingslanden en overgangseconomieën bij het bevorderen
van rechtstreekse buitenlandse investeringen en het verbeteren van
hun investeringsklimaat. De Conferentie helpt regeringsinstanties
bij het doorzien van algemene trends in buitenlandse investeringen
en aanverwant beleid, en helpt ze de verwevenheid van buitenlandse
investeringen, handel, technologie en ontwikkeling in te zien. De
resultaten van de Conferentie worden jaarlijks gepubliceerd in het
World Investment Report en in andere verslagen die aan de
basis liggen van het beleid dat het Comité voor investering,
technologie en aanverwante financiële kwesties van UNCTAD
uitstippelt.
Buitenlandse
investeringen en ontwikkeling
Directe buitenlandse investeringen zijn en blijven een stuwende
factor in de wereldeconomie. De aanhoudende groei van investeringen
benadrukt de rol die transnationale ondernemingen in de industrie-
en ontwikkelingslanden spelen. Het World Investment Report 2003
van UNCTAD stelt:
•
Directe buitenlandse investeringen van transnationale ondernemingen
hebben in 2000 een piek bereikt van 1393 miljard dollar, maar
waren in 2002 gedaald tot 650 miljard;
• In 2002 is het aantal transnationale ondernemingen
wereldwijd verder gestegen tot 64.000;
• Circa 870,000 dochterbedrijven van transnationale
ondernemingen hebben in 2002 voor ongeveer 18 biljoen dollar
aan goederen en diensten verkocht: meer dan het dubbele volume
van de mondiale export. Op het vlak van levering van goederen
en diensten op buitenlandse markten is de internationale productie
belangrijker geworden dan de internationale handel;
• De 100 grootste (niet-financiële) transnationale
ondernemingen behouden hun leidinggevende positie in het mondiale
productiesysteem. In 2001 bezaten zij meer dan 3 biljoen dollar
aan buitenlandse activa, was de verkoop in het buitenland
goed voor 2 biljoen dollar en telden zij bijna 7 miljoen werknemers
in hun buitenlandse vestigingen;
• Sinds 2001 staan vier ondernemingen uit ontwikkelingslanden
in de lijst van de 100 grootste ondernemingen in de wereld
(gerekend naar buitenlandse activa): Hutchison Whampoa Limited
(Hong Kong, China), Singtel Ltd. (Singapore), Cemex S.A. (Mexico)
and LG Electronics Inc. (Korea).
|
Via de Divisie
voor Investeringstechnologie en Bedrijfsontwikkeling stimuleert UNCTAD
inzicht in investeringen, de ontwikkeling van ondernemingen en de
opbouw van technologische knowhow. Ook steunt ze regeringen bij de
formulering en uitvoering van beleid en activiteiten op dit vlak.
Handel en ontwikkeling
De internationale handel is sinds het begin van de jaren negentig
sterk gegroeid – jaarlijks met gemiddeld 6,5 procent. Tal van
ontwikkelingslanden hebben daardoor opmerkelijke groei en welvaart
kunnen realiseren. Maar er bestaat nog steeds grote ongelijkheid en
veel van de armste landen nemen slechts marginaal deel aan de internationale
handel.
De Conferentie van de VN inzake Handel en Ontwikkeling (UNCTAD)
– heeft de belangrijke taak ervoor te zorgen dat alle landen
bij de mondiale handel worden betrokken. Als centraal orgaan binnen
de VN voor ontwikkelingsaangelegenheden inzake handel, financiering,
technologie, investeringen en duurzame ontwikkeling, streeft UNCTAD
naar het maximaliseren van het handelsverkeer, investeringen en ontwikkelingsmogelijkheden
in de ontwikkelingslanden. De Conferentie helpt deze landen met de
uitdagingen die de mondialisering met zich meebrengt en bij hun integratie
in de wereldeconomie op voet van gelijkwaardigheid.
UNCTAD tracht deze doelen te verwezenlijken met onderzoek en beleidsanalyses,
intergouvernementeel overleg, technische samenwerking en contacten
met maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven.
UNCTAD houdt zich vooral bezig met:
• Onderzoek
naar trends in de wereldeconomie en de inschatting van de gevolgen
daarvan voor ontwikkeling;
• Hulp aan ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde
landen, bij het maximaliseren van de positieve effecten van globalisering
en liberalisering, door hen te helpen integreren in het internationale
handelssysteem en door hun actieve inbreng bij internationale handelsbesprekingen
te stimuleren;
• Onderzoek naar mondiale trends in buitenlandse investeringsstromen
en de invloed daarvan op handel, technologie en ontwikkeling;
• Hulp aan ontwikkelingslanden bij het aantrekken van investeringen;
• Hulp aan ontwikkelingslanden bij de ontwikkeling van ondernemingen
en ondernemersschap; en
• Hulp aan ontwikkelingslanden en overgangseconomieën
bij het doeltreffender maken van handelsondersteunende diensten.
UNCTAD stimuleert
de ontwikkeling van bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen,
via periodiek intergouvernementeel overleg en technische samenwerking.
UNCTAD’s Commissie voor Ondernemingen, Zakelijke faciliteiten
en Ontwikkeling zoekt naar manieren om doeltreffende ontwikkelingsstrategieën
voor ondernemingen te formuleren en te implementeren.
In het kader van technische samenwerking is UNCTAD betrokken bij meer
dan 300 projecten in meer dan 100 landen. Ze trekt daarvoor jaarlijks
ongeveer 24 miljoen dollar uit. Enkele van die regionale projecten
zijn:
• Het
Geautomatiseerd Systeem voor Douanegegevens (ASCD) waarbij
regeringen met de allerlaatste technologische innovaties worden
bijgestaan bij het moderniseren van douaneprocedures en -beleid.
Het systeem is inmiddels in gebruik in 60 landen en ontplooit zich
geleidelijk aan als de internationale norm voor de automatisering
van douanetechnische informatie.
• Het Anticiperend Vrachtinformatiesysteem (ACIS)
helpt Afrikaanse landen bij de ontwikkeling van de transportsector
en gebruikt computertechnologie om goederen te volgen die over land-
en zeeroutes worden vervoerd.
• Het EMPRETEC-programma bevordert de ontwikkeling
van kleine en middelgrote ondernemingen. Een informatienetwerk biedt
ondernemers toegang tot zakelijke databases.
Bevorderen
van rechtvaardige handel
Intergouvernementele besprekingen onder auspiciën van UNCTAD
hebben geleid tot:
•
De overeenkomst over een Algemeen Preferentiestelsel (1971)
waarbij jaarlijks meer dan 70 miljard dollar aan exportproducten
uit ontwikkelingslanden tegen gunstige invoertarieven kan
worden ingevoerd in de industrielanden.
• De overeenkomst over een Mondiaal Handelspreferentiestelsel
(1989) tussen ontwikkelingslanden.
• Internationale grondstoffenovereenkomsten, onder meer
voor cacao, suiker, natuurlijk rubber, jute en juteproducten,
tropisch hout, tin, olijfolie en graan.
• Het Algemeen Grondstoffenfonds dat financiële
dekking biedt voor het beheer van internationale voorraden
en voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten op het vlak
van grondstoffen.
• Schuldverlichting: meer dan vijftig ontwikkelingslanden
hebben geprofiteerd van schuldverlichting ten belope van meer
dan 6,5 miljard dollar sinds de aanvaarding in 1978 van een
resolutie betreffende de aanpassing met terugwerkende kracht
van de voorwaarden aangaande de ODA-schuld van ontwikkelingslanden
met lage inkomens.
• Richtlijnen voor internationale inspanningen voor
schuldherschikking (1980).
• De Overeenkomst betreffende een mondiaal kader voor
samenwerking inzake transitvervoer tussen landen zonder zeehavens
en de gemeenschap van donoren (1995).
• VN-verdragen betreffende maritiem transport; in het
bijzonder een Gedragscode voor lijnvaartconferences; en verdragen
inzake het Internationale vrachtvervoer over zee (1978); de
Voorwaarden bij de registratie van schepen (1986); en Maritieme
panden en hypotheken (1993).
Voorts
zijn door toedoen van UNCTAD de enige universeel geldige, vrijwillige
mededingingsregels tot stand gekomen: de overeenkomst van 1980
aangaande een pakket multilaterale beginselen en regels ter
beteugeling van beperkende bedrijfspraktijken – die om
de vijf jaar worden herzien. De meest recente herzieningsronde
had plaats in 2000, in nauwe samenwerking met de Wereldbank
en met de Wereldhandelsorganisatie, teneinde op het gebied van
mededinging de doeltreffendheid en billijkheid te vergroten |

Het Internationaal
handelscentrum UNCTAD/WTO (ITC) is het belangrijkste orgaan
binnen het VN-systeem voor technische samenwerking met ontwikkelingslanden
ter bevordering van de handel. Het centrum werkt samen met ontwikkelingslanden
en overgangseconomieën aan het opzetten van promotieprogramma’s
om de export te vergroten en importprocedures te verbeteren.
Het ITC is gespecialiseerd in zes sectoren:
• product-
en marktontwikkeling
• ontwikkeling van handelsondersteunende diensten
• handelsinformatie
• ontwikkeling van personeel
• internationale aankopen en voorraadbeheer
• vaststellen van behoeften en opzetten van handelsbevorderende
programma’s.
ITC-deskundigen
zijn verantwoordelijk voor technische samenwerkingsprojecten ter bevordering
van de handel en werken daarbij nauw samen met lokale handelsfunctionarissen.
Nationale projecten zijn vaak opgebouwd rond een uitgebreid pakket
van diensten ter bevordering van de export van een land en de verbetering
van de importprocedures.
Landbouwontwikkeling
De meeste mensen op onze planeet leven op het platteland en voorzien,
direct of indirect, voor het merendeel via de landbouw in hun levensonderhoud.
De laatste decennia is de armoede op het platteland schrijnender geworden.
Door toedoen van de stormachtige industrialisering is er onvoldoende
geïnvesteerd in de landbouwsector. De VN pakt deze wanverhouding
op verschillende manieren aan.
De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties
(FAO) is het belangrijkste orgaan voor landbouw, bosbouw,
visserij en plattelandsontwikkeling. FAO biedt ontwikkelingslanden
praktische hulp met een uitgebreid scala van technische hulpprogramma’s.
Een van de voornaamste oogmerken van FAO is het bevorderen van duurzame
landbouw- en plattelandsontwikkeling: een langetermijnstrategie voor
het vergroten van de voedselproductie en -zekerheid, en het behoud
en beheer van natuurlijke hulpbronnen.
Met het bevorderen van duurzame landbouwontwikkeling kiest FAO voor
een integrale benadering: bij de opzet van ontwikkelingsprojecten
spelen ook milieutechnische, sociale en economische overwegingen een
rol. In sommige gebieden zorgt bijvoorbeeld de keuze voor een bepaalde
combinatie van gewassen tot een stijging van de productiviteit, terwijl
dit ook brandhout oplevert voor de dorpelingen, de vruchtbaarheid
van de bodem verbetert en de gevolgen van erosie beperkt.
Gemiddeld beheert FAO 2000 projecten. Deze variëren van integrale
grondbeheerprojecten tot het verstrekken van beleids- en planningadviezen
aan regeringen over uiteenlopende thema’s – van bosbouw
tot marketingstrategieën. FAO neemt gewoonlijk een van de volgende
drie taken op zich: de uitvoering van eigen programma’s, de
uitvoering van programma’s namens andere organisaties of donoren,
of het leveren van advies en beleidsondersteuning bij nationale projecten.
Het Investeringscentrum van FAO helpt ontwikkelingslanden bij de formulering
van investeringsprojecten voor landbouwkundige en rurale ontwikkeling.
Jaarlijks mobiliseert men met deze steun 3 miljard dollar voor investeringsprojecten,
waarvan 2 miljard dollar extern kapitaal is.
FAO houdt zich bezig met bodem- en waterbeheer, akkerbouw en veeteelt,
bosbouw, visserij, economisch en sociaal beleid, voedselzekerheid,
investeringen, voeding, voedingsnormen en voedselveiligheid, en de
handel in landbouwproducten. Bijvoorbeeld:
• Een
programma in negen landen in zuidelijk Afrika is gericht op het
verbeteren van de levensomstandigheden en de voeding van de plattelandsbevolking
via de visteelt. Kleine oppervlaktewateren worden in productie gebracht
en de piscicultuur wordt onderdeel van het boerenbedrijf. Kleine
boeren hebben zo de voedselproductie voor consumptie en handel uitgebreid.
• Arme boeren in Sri Lanka worden aangemoedigd informele groepen
op te richten voor inkomstengenererende activiteiten zoals bodemontginning
of kleinschalige voedselverwerking. De groepen leren hoe ze geld
kunnen besparen door bijvoorbeeld meststoffen in bulk aan te kopen
en oogst gezamenlijk op de markt te brengen. Bij dit project zijn
ongeveer 4000 boeren betrokken.
• Een project in Mali verschaft doorlopende kredieten waarmee
groepen vrouwen zaden, meststoffen, waterpompen en maalmachines
kunnen kopen. De vrouwen verbouwen groenten en fruit voor eigen
verbruik en verkopen de overschotten op nieuwe markten die wekelijks
plaatshebben. Dorpsvrouwen ontwikkelden zo nieuwe activiteiten die
hebben geleid tot een stijging van de voedselproductie, een hoger
inkomen, betere gezondheid en drinkwatervoorziening.
• Dankzij de uitgebreide technieken voor ongediertebestrijding
van FAO konden 200.000 Indonesische rijstboeren hun opbrengsten
vergroten en het gebruik van pesticiden verminderen. Zo helpen zij
mee aan de bescherming van het milieu en de voedselkwaliteit, en
besparen ze de regering jaarlijks 120 miljoen dollar aan subsidies
voor pesticiden.
Het Internationaal Fonds voor Landbouwontwikkeling (IFAD)
financiert rurale ontwikkelingsprojecten die de armoede onder de plattelandsbevolking
verlichten en de voedselvoorziening in de Derde Wereld verbeteren.
Belangrijk is vooral de actieve inbreng van het Fonds en de brede
betrokkenheid aan de basis. De kleinschalige, maar doeltreffende structuur
geeft het Fonds de mogelijkheid nieuwe eisen in de landbouwsector
flexibel en tijdig te herkennen en aan te pakken. Krachtens zijn mandaat
stelt IFAD geld en middelen ter beschikking voor programma’s
die specifiek zijn gericht op het bevorderen van de economische vooruitgang
van de arme plattelandsbevolking, met name door de productiviteit
van het boerenbedrijf te verbeteren.
Het Fonds richt zich primair op de behoeften van de armsten in de
wereld: kleine boeren, landlozen, ambachtelijke vissers, rondzwervende
herders en inlandse bevolkingsgroepen. En binnen al deze groepen richt
het Fonds zich primair op arme vrouwen op het platteland. Het gros
van de middelen van IFAD gaat tegen zeer zachte voorwaarden naar arme
landen. De schulden kunnen over een periode van 40 jaar worden terugbetaald,
eventueel met nog 10 jaar uitstel. De jaarlijkse rente bedraagt 0,75%.
Sinds de oprichting in 1977 heeft IFAD 633 projecten gefinancierd
in 115 landen en onafhankelijke gebieden. In totaal stelde het Fonds
7,7 miljard dollar aan leningen en 35,4 miljoen dollar aan subsidies
ter beschikking. De begunstigde landen brachten zelf 7,9 miljard dollar
in en donoren cofinancierden de projecten met nog eens 6,6 miljard.
Van al deze projecten hebben meer dan 50 miljoen arme plattelandsgezinnen
of ongeveer 250 miljoen mensen baat ondervonden.
Industriële ontwikkeling
De globalisering van de industrie heeft ontwikkelingslanden en overgangseconomieën
ongekende industriële kansen en uitdagingen opgeleverd. De Organisatie
van de VN voor Industriële Ontwikkeling (UNIDO) is de gespecialiseerde
organisatie van de VN die deze landen helpt te komen tot duurzame
industriële ontwikkeling in deze nieuwe mondiale context. UNIDO
biedt pasklare oplossingen voor moderne industriële problemen
door regeringen, brancheorganisaties en het (industriële) bedrijfsleven
te begeleiden met pakketten geïntegreerde diensten gericht op
drie centrale aandachtspunten:
• Concurrentievermogen:
formuleren en invoeren van industriebeleid; continue verbeteringsprocessen
en kwaliteitsbeheer; bevorderen van investeringen en technologische
vooruitgang.
• Een gezond milieu: industrieel milieubeleid, doeltreffend
energiegebruik en schonere productiemethoden.
• Werkgelegenheid in productiesector: beleid ter
ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen, ontwikkeling
ondernemerschap en het aanmoedigen van vrouwelijke ondernemers.
UNIDO vormt het
internationale forum voor industriële ontwikkeling en brengt
zo vertegenwoordigers van overheden en industriële sector –
staats- en privébedrijven – uit de geïndustrialiseerde
wereld, de ontwikkelingslanden en de overgangseconomieën met
elkaar in contact. Via technische samenwerkingsprogramma’s ijvert
UNIDO voor de ondersteuning van een economisch efficiënte, sociaal
gewenste en ecologisch gezonde vooruitgang in de industriële
ontwikkeling van landen.
In samenwerking met de lidstraten heeft UNIDO uitgebreide servicepakketten
ontwikkeld die zijn gericht op de behoeften van landen bij het uitbreiden
van hun industriële capaciteiten en bij het werken aan een schonere
en duurzame industriële ontwikkeling.
De 13 UNIDO-bureaus voor de bevordering van investeringen en technologie
(ITPO’s) – gefinancierd door de landen waar ze zijn gevestigd
– stimuleren zakelijke contacten tussen industriële landen
en ontwikkelingslanden en overgangseconomieën. UNIDO telt 5 eenheden
ter bevordering van investeringen, 27 nationale centra voor schoner
produceren en 10 internationale technologiecentra. Het hoofdkantoor
van UNIDO is gevestigd in Wenen en de organisatie heeft vertegenwoordigingen
– 9 regionale kantoren, 20 landelijke vestigingen en 6 steunpunten.
Arbeid
De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) houdt
zich bezig met de economische en sociale aspecten van ontwikkeling.
Deze gespecialiseerde organisatie werd opgericht in 1919, lange tijd
voor de VN zelf. Haar langdurige en uiteenlopende inspanningen voor
het formuleren en bewaken van arbeidsomstandigheden en -voorwaarden
hebben geleid tot internationale normen en richtlijnen ter zake, die
in vrijwel alle landen in de nationale wetgeving werden opgenomen.
ILO huldigt het principe dat sociale stabiliteit en integratie alleen
mogelijk zijn als die kunnen steunen op sociale rechtvaardigheid en
– meer in het bijzonder – op het recht te werken tegen
een redelijke vergoeding en in een gezonde werkomgeving. In de loop
der jaren is ILO medeverantwoordelijk geweest voor belangrijke arbeidsrechtelijke
mijlpalen, waaronder de achturige werkdag, bescherming van het moederschap,
wetgeving over kinderarbeid en een hele reeks van beleidsmaatregelen
ter bevordering van de veiligheid op de werkplek en van vreedzaam
overleg tussen sociale partners.
ILO houdt zich met name bezig met:
• de
formulering van internationale beleidslijnen en programma’s
ter bevordering van de mensenrechten, ter verbetering van de arbeids-
en levensomstandigheden en ter vergroting van kansen op de arbeidsmarkt;
• het opstellen van internationale arbeidsnormen – gesteund
door een uniek systeem van toezicht op de implementatie van die
normen – die als richtlijnen moeten dienen voor nationale
autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een gezond arbeidsbeleid;
• een uitgebreid programma van technische samenwerking, geformuleerd
en uitgewerkt in samenspraak met begunstigden, om regeringen te
helpen nieuw beleid gestalte te geven;
• activiteiten rond opleidingen, educatie, onderzoek en informatie
ter ondersteuning van dit streven.
Fatsoenlijk
werk. Het belangrijkste doel van ILO is het vergroten van
de kans op behoorlijk werk voor alle mensen. De Internationale Arbeidsconferentie
heeft vier objectieven goedgekeurd die moeten leiden tot de verwezenlijking
van dit allerbelangrijkste doel. Het gaat om:
• het
bevorderen en verwezenlijken van fundamentele principes en rechten
op de werkplek;
• het vergroten van de kansen voor mannen en vrouwen op een
behoorlijke baan en dito inkomen;
• het verhogen van de dekking en doeltreffendheid van sociale
verzekeringen voor iedereen;
• het versterken van de dialoog tussen regeringen, werkgevers
en werknemers.
Voor de verwezenlijking
van deze doelstellingen richt ILO zich met name op kwesties als de
geleidelijke afschaffing van kinderarbeid; gezondheid en veiligheid
op het werk; sociaal-economische veiligheid; de bevordering van kleine
en middelgrote ondernemingen; de ontwikkeling van vaardigheden, kennis
en inzetbaarheid; de uitbanning van alle vormen van discriminatie
en ongelijke behandeling van de vrouw en de implementatie van de Verklaring
over de fundamentele principes en rechten op het werk, die in
1998 door de Internationale Arbeidsconferentie werd goedgekeurd.
Technische samenwerking. Op het vlak van technische samenwerking
richt ILO zich met name op de ondersteuning van democratisering en
de uitroeiing van armoede, door werkgelegenheid te creëren en
werknemers te beschermen. ILO helpt regeringen vooral met de ontwikkeling
van hun wetgeving en de praktische implementatie van ILO-normen (zoals
de ontwikkeling van afdelingen voor gezondheid en veiligheid op het
werk, stelsels voor sociale zekerheid en opleidingsprogramma’s
voor werknemers). De betrokken landen, donorlanden en ILO –
die beschikt over een wereldwijd net van regionale kantoren –
werken nauw samen bij projecten. ILO voert programma’s rond
technische samenwerking in 140 landen en regio’s, en spendeerde
het afgelopen decennium ongeveer 130 miljoen dollar per jaar aan technische
samenwerkingsprojecten.
Het Internationaal Opleidingscentrum van ILO in Turijn
(Italië) organiseert opleidingen voor managers uit het hoger
en middenkader van staats- en privé-ondernemingen, voorzitters
van werkgevers- en werknemersorganisaties, regeringsfunctionarissen
en beleidsmakers. Sinds de opening van het centrum in 1965 hebben
80.000 mensen uit 172 landen er een opleiding gevolgd.
Het Internationaal Instituut voor Arbeidsonderzoek,
in Genève bevordert beleidsonderzoek en de publieke discussie
over voor ILO belangrijke kwesties. De rode draad is de relatie tussen
arbeidsinstanties en -organisaties, economische groei en sociale rechtvaardigheid.
Het instituut treedt op als een internationaal forum voor sociaal
beleid, onderhoudt internationale onderzoeksnetwerken en voert educatieve
programma’s.
Internationale burgerluchtvaart
In 2002 alleen al hebben meer dan 20 miljoen vluchten 1,6 miljard
passagiers vervoerd. Voorts werd 30 miljoen ton aan industriële
goederen als luchtvracht getransporteerd, andere vracht en voedingsmiddelen
nog buiten beschouwing gelaten. De Organisatie voor de Internationale
Burgerluchtvaart (ICAO), een gespecialiseerde organisatie van de VN,
ziet toe op de veilige en ordelijke groei van de internationale burgerluchtvaart.
ICAO beantwoordt aan de behoeften van het internationale publiek betreffende
veilig, regelmatig, efficiënt en economisch luchtvervoer en werkt
mee aan de veilige en ordelijke groei van de burgerluchtvaart in de
hele wereld. De Organisatie adviseert over ontwerp- en bedieningsaspecten
van vliegtuigen die worden ingezet voor vreedzame doeleinden en over
de ontwikkeling van vliegroutes, luchthavens en luchtverkeersvoorzieningen.
Taken van ICAO in dat verband:
• ICAO
formuleert aanbevelingen en internationale normen betreffende het
ontwerp en prestaties van vliegtuigen en een groot deel van hun
uitrusting; de kwalificaties van lijnpiloten, bemanningsleden, verkeersleiders
en grond- en onderhoudspersoneel; en veiligheidsvoorschriften en
-procedures voor internationale luchthavens.
• ICAO formuleert regels voor zicht- en instrumentenvlucht,
en stelt luchtvaartkaarten vast voor internationaal vliegverkeer.
Ook de telecommunicatiesystemen van vliegtuigen, radiofrequenties
en veiligheidsprocedures behoren tot de verantwoordelijkheden van
ICAO.
• ICAO probeert de effecten van de luchtvaart op het milieu
te beperken door zich sterk te maken voor een geringere uitstoot
en door maatregelen te treffen in verband met geluidshinder.
• ICAO versoepelt het vliegverkeer en de bewegingen van passagiers,
bemanningen, bagage, vracht en post over de internationale grenzen
d.m.v. vereenvoudigde procedures voor douane-, immigratie- en volksgezondheidsformaliteiten.
Daar onrechtmatige
daden een serieuze dreiging blijven vormen voor de veiligheid en zekerheid
van de internationale burgerluchtvaart, blijft ICAO ijveren voor preventief
beleid en proactieve programma’s. In de nasleep van de terroristische
aanslagen van 11 september 2001 in de VS, ontwikkelde ICAO een veiligheidsplan
voor de luchtvaart en een trainingsprogramma voor de beveiliging van
het luchtverkeer. Dit project omvat nu zeven opleidingspakketten.
ICAO onderhoudt ook 10 trainingscentra voor de beveiliging van het
luchtverkeer om de regionale samenwerking op dit cruciale vlak te
bevorderen.
Daarnaast helpt ICAO ontwikkelingslanden ook bij het inrichten of
verbeteren van luchtvervoerssystemen en bij de opleiding van luchtvaartpersoneel.
De organisatie biedt steun bij het opzetten van regionale trainingscentra
in verscheidene ontwikkelingslanden en geeft duizenden studenten de
mogelijkheid om een opleiding te volgen aan bij ICAO geregistreerde
vliegscholen. ICAO verleent technische assistentie aan meer dan 100
landen en is jaarlijks betrokken bij ongeveer 120 projecten. De gemiddelde
uitgaven bedragen jaarlijks 54 miljoen dollar.
ICAO werkt aan de ontwikkeling van een satellietsysteem dat aan de
toekomstige behoeften voor communicatie, luchtnavigatie, bewaking
en beheer van de burgerluchtvaart moet voldoen. Het systeem maakt
gebruik van de modernste technologie op het vlak van computers en
satellieten, gegevensverbindingen en vliegtuigelektronica om aan de
toenemende operationele behoeften te kunnen voldoen. Het geïntegreerde,
universele systeem zal de veiligheid vergroten en de organisatie en
uitvoering van luchtverkeersdiensten verbeteren. Het systeem is inmiddels
goedgekeurd door de ICAO-lidstaten en verkeert nu in de implementatiefase.
ICAO werkt samen met de Internationale Luchtvervoersassociatie (IATA),
de Internationale Luchthavenraad, de internationale pilotenvereniging
IFALPA en de Internationale Raad van de Verenigingen van Vliegtuigeigenaars
en Piloten (IAOPA).
Internationale scheepvaart
Toen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) in 1959 voor het
eerst bijeenkwam, telde de organisatie minder dan 40 lidstaten. Nu
zijn er 162 lidstaten en voegt meer dan 96% van de wereldwijde koopvaardijvloot
zich naar de bepalingen van de voornaamste veiligheidsconventies die
werden ontwikkeld door de IMO.
Het opstellen van regelgeving in verband met de scheepvaart is de
bekendste taak van IMO. De organisatie staat aan de basis van 40 conventies
en protocollen, waarvan de meeste zijn aangepast aan de huidige ontwikkelingen
binnen de internationale scheepvaart. De veiligheid op zee is deel
gaan uitmaken van IMO’s taken teneinde de veiligheid van de
internationale scheepvaart te verbeteren en zeevervuiling te voorkomen.
De aandacht gaat daarbij vooral uit naar belangrijke milieukwesties
zoals het vervoer van schadelijke waterorganismen in ballastwater
en slib, de uitstoot van broeikasgassen door schepen en de recycling
van schepen.
Oorspronkelijk was IMO’s belangrijkste zorg het ontwikkelen
van internationale verdragen en andere wetgeving voor de veiligheid
op zee en de preventie van zeevervuiling. Nu concentreert IMO zich
vooral op de naleving van de internationale IMO-normen, terwijl men
waar nodig de bestaande wetgeving aanpast en bijwerkt, mazen in de
regelgeving tracht te dichten.
De belangrijkste wereldwijd van kracht zijnde IMO-verdragen voor de
veiligheid op zee en de preventie van zeevervuiling door schepen zijn:
• Het
Internationale verdrag inzake lastlijnen (LL), 1966
• De Internationale regels voor de preventie van aanvaringen
op zee (COLREG), 1972
• Het Internationaal verdrag voor veilige containers
(CSC), 1972
• Het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging
door schepen, 1973, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1978
(MARPOL 73/78)
• Het Internationaal verdrag voor de veiligheid van het
leven op zee (SOLAS), 1974
• Het Internationaal verdrag betreffende de normen voor
zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (STCW),
1978
• Het Internationaal verdrag over maritieme zoek- en reddingoperaties
(SAR), 1979
Veel voorschriften
– waarvan er inmiddels een aantal verplicht zijn – betreffen
specifieke kwesties zoals het transport van gevaarlijke goederen en
snelle vaartuigen. De Internationale veiligheidsbeleidscode (ISM-code)
die bindende werking kreeg met de goedkeuring in 1994 van de amendementen
van SOLAS, richt zich tot personeel dat schepen bestuurt en er het
gezag over voert. De aandacht is hierbij vooral gericht op de richtlijnen
voor de bemanning waarvoor in 1995 het STCW-verdrag (zie boven) van
1978 volledig werd herzien. IMO kreeg hierbij voor het eerst de taak
toegewezen om toe te zien op naleving van het verdrag.
Veiligheid op zee blijft een van de belangrijkste oogmerken van IMO.
In 1999 werd het GMDSS-systeem (Global Maritime Distress and Safety
System) operationeel. Het garandeert virtueel hulp aan een schip dat
waar ook ter wereld in problemen raakt, ook als de bemanning geen
tijd heeft om een noodoproep uit te zenden; de boodschap wordt automatisch
verzonden.
Tal van IMO-verdragen regelen kwesties in verband met aansprakelijkheid
en schadevergoeding. De belangrijkste zijn het Protocol van 1992 bij
het Internationale verdrag over burgerlijke aansprakelijkheid
voor schade door olievervuiling (CLC, 1969) en het Protocol van
1992 bij het Internationale verdrag ter oprichting van een internationaal
fonds voor schade door olievervuiling (FUND), die beide voorzien
in schadevergoeding aan slachtoffers van olievervuiling. Het Verdrag
van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee
(PAL, 1974) bepaalt minimumnormen voor schadevergoedingen ten bate
van scheepspassagiers.
In december 2002 keurde IMO de International Ship and Port Facility
Security Code goed die de invoering van nieuwe maatregelen oplegt
om de scheepvaart tegen terroristische aanvallen te beschermen. De
code, een uitbreiding op het Internationale verdrag voor de veiligheid
van het leven op zee (SOLAS), is sinds 1 juli 2004 van kracht.
Het technische samenwerkingsprogramma van IMO helpt regeringen (vooral
in ontwikkelingslanden) met de invoering van de internationale IMO-normen
en -regels, en met het succesvol aansturen van de scheepvaartsector.
De nadruk ligt daarbij op opleiding. De World Maritime University
in Malmö (Zweden), het International Maritime Law Institute
in Malta en de International Maritime Academy in
Triëst (Italië) werken onder auspiciën van IMO.
Telecommunicatie
Telecommunicatie is niet meer weg te denken uit de internationale
dienstverlening: bedrijfstakken als het toerisme-, transport- en bankwezen,
en natuurlijk de informatie-industrie, zijn volledig afhankelijk van
snelle en betrouwbare, wereldomspannende telecommunicatiesystemen.
De sector beleeft een ware revolutie onder invloed van krachtige trends
zoals globalisering, deregulering, herstructurering, waardetoevoegende
netwerkdiensten, intelligente netwerken en regionale afspraken. Deze
ontwikkelingen hebben de telecommunicatiesector veranderd van een
openbare nutsvoorziening tot een sector met sterke banden in de commerciële
wereld. De internationale telecommunicatiemarkt zal naar schatting
groeien van bijna 1,4 biljoen dollar in 2001 tot 1,7 biljoen in 2007.
In deze context opereert de Internationale Telecommunicatie-unie
(ITU), ’s werelds oudste intergouvernementele organisatie
(opgericht in 1865). Binnen ITU werken de openbare en particuliere
sector samen aan de harmonisatie van internationale telecommunicatienetwerken
en -diensten.
Hiertoe houdt ITU zich vooral bezig met:
• Het
ontwikkelen van normen om de aansluiting van nationale communicatie-infrastructuur
op wereldomspannende netwerken in goede banen te leiden en zo wereldwijd
een betrouwbare uitwisseling van informatie – ongeacht of
het om data-, fax- of telefoonverkeer gaat – te waarborgen;
• De integratie van nieuwe technologieën in het internationale
telecommunicatienetwerk die de ontwikkeling van nieuwe toepassingen
zoals internet, e-mail, multimedia en e-commerce mogelijk maken;
• Internationale richtlijnen en verdragen over het gebruik
van het volledige frequentiespectrum en de geostationaire baan voor
satellieten. Het betreft hier begrensde natuurlijke hulpbronnen
die voor veel apparatuur wordt gebruikt: radio en tv, mobiele telefonie,
satellietcommunicatiesystemen, navigatie- en veiligheidssystemen
in lucht- en scheepvaart, en draadloze computers;
• De uitbreiding en verbetering van telecommunicatiesystemen
in ontwikkelingslanden via beleidsadvies, technische steun, projectbeheer
en opleidingen, en het bevorderen van samenwerkingsakkoorden tussen
telecommunicatiediensten, financieringsinstellingen en particuliere
organisaties.
ITU is ook de
sturende organisatie achter de Wereldtop over de Informatiesamenleving.
Bij de eerste sessie, die van 10 tot 12 december 2003 in Genève
werd gehouden, hebben de deelnemers een principeverklaring en een
actieplan goedgekeurd, strekkend tot een open en ontwikkelingsgerichte
informatiesamenleving waarin de mens centraal staat en waarin iedereen
informatie en kennis kan voortbrengen, gebruiken en delen. Het afrondende
gedeelte van de Top heeft van 16 tot 18 November 2005 plaats in Tunis.
In de roerige telecommunicatiewereld van vandaag biedt het ITU-lidmaatschap
regeringen en particuliere organisaties een unieke kans om een waardevolle
bijdrage te leveren aan de ontwikkelingen die de wereld in snel tempo
veranderen. ITU biedt een dwarsdoorsnede van de telecommunicatie-
en informatietechnologiemarkt: van ‘s werelds grootste producenten
en exploitanten tot kleine, innoverende bedrijven die actief zijn
in nieuwe gebieden zoals IP- networking.
ITU telt 189 lidstaten en voorts meer dan 640 sectorleden –
wetenschappelijke en industriële ondernemingen, openbare en particuliere
operators en omroepen, en regionale/internationale organisaties. ITU
stoelt op het beginsel van internationale samenwerking tussen overheden
en particuliere sector en doet daarom dienst als een wereldomspannend
forum dat regeringen en bedrijfsleven in staat stelt consensus te
bereiken over een breed scala van vraagstukken die van rechtstreekse
invloed zijn op de toekomst van deze steeds belangrijkere bedrijfstak.
Internationale postdiensten
Meer dan 6 miljoen postbeambten in 700.000 postkantoren in de hele
wereld verwerken en bezorgen jaarlijks 430 miljard poststukken. De
met de VN verbonden gespecialiseerde organisatie Wereldpostunie
(UPU) staat in voor de regelgeving waarop deze diensten zijn
gebaseerd.
UPU maakt de verschillende lidstaten tot één postgebied
voor de wederzijdse uitwisseling van briefpost. Lidstaten komen overeen
elkaars post te bezorgen op de beste manier die ook voor eigen post
wordt gebruikt. UPU is de belangrijkst spil in de samenwerking tussen
de nationale postdiensten. In dat kader streeft de organisatie naar
de verbetering van internationale postdiensten om klanten in elk land
te voorzien van op elkaar afgestemde en vereenvoudigde procedures
voor de verwerking van internationale post, en om hen toegang te bieden
tot een universeel netwerk van moderne producten en diensten.
UPU bepaalt tarieven, maximale en minimale gewichten en afmetingen,
en stelt voorwaarden voor de aanvaarding van poststukken met inbegrip
van al of niet spoedeisende stukken, brieven, luchtpostbladen, briefkaarten,
drukwerk en pakjes. De Unie bepaalt tevens methoden voor de berekening
en inning van transitkosten (voor briefpost die het grondgebied van
een of meer landen passeert) en van aankomstkosten (met het oog op
de postbalans). Bovendien stelt ze regels vast voor aangetekende post
en luchtpost, en voor het vervoer van voorwerpen die bijzondere voorzorgen
vereisen, zoals besmettelijke en radioactieve stoffen.
Dankzij UPU worden nieuwe producten en diensten geïntegreerd
in het internationale postnetwerk. Zo kregen de meeste mensen in de
wereld toegang tot diensten als aangetekende zendingen, postwissels,
internationale antwoordformulieren, pakjes, postpakketten en versnelde
verzendingen.
Het agentschap speelde een belangrijke rol bij de toepassing van elektronische
gegevensuitwisselingtechnologie (EDI) door de postdiensten in de lidstaten
en bij de internationale controle op de kwaliteit van de postdiensten.
UPU biedt technische steun in de vorm van langlopende projecten gericht
op de optimalisering van nationale postdiensten. Ook onderneemt de
Unie kortlopende projecten. Deze hulp bestaat hoofdzakelijk uit het
verzorgen van beroepsonderwijs, het verstrekken van specialisatiebeurzen,
het uitzenden van deskundige ontwikkelingsconsulenten die ter plaatse
onderzoek doen naar opleidingsniveau of naar het beheer en de werking
van postdiensten. De Unie zet zich ook in om internationale financiële
instellingen te overtuigen van de noodzaak om in de postale sector
te investeren.
Wereldwijd streven postdiensten ernaar ‘de post’ nieuw
leven in te blazen. Als onderdeel van een communicatiemarkt die een
explosieve groei kent, moeten de posterijen zich aanpassen aan een
snel veranderende omgeving en zich ontwikkelen tot onafhankelijke,
zelfbedruipende ondernemingen met een breed dienstenpakket. UPU speelt
een leidende rol in het aanmoedigen van deze vernieuwingen.
Intellectuele eigendom
Intellectuele eigendom in alle mogelijke vormen – boeken, films,
andere dragers van artistieke voortbrengselen en computer software
– speelt tegenwoordig een cruciale rol in de internationale
handelsbetrekkingen. Wereldwijd zijn er miljoenen patenten, geregistreerde
handelsmerken en registraties van industriële ontwerpen van kracht.
In de huidige kenniseconomie is intellectuele eigendom een instrument
om welvaart te bewerkstelligen en economische, sociale en culturele
ontwikkeling te bevorderen.
De Wereldorganisatie voor Intellectuele Eigendom (WIPO)
een gespecialiseerde organisatie van de VN, is verantwoordelijk voor
het verhogen van het wereldwijde respect voor intellectuele eigendom,
door de samenwerking te regelen tussen landen en door de toepassing
te stimuleren van verscheidene internationale verdragen die de juridische
en administratieve aspecten van intellectuele eigendom regelen. Intellectuele
eigendom valt in twee hoofdgebieden uiteen: industriële eigendom
(octrooien en technologische uitvindingen, handelsmerken, industriële
ontwerpen, herkomstbenamingen enz.) en auteursrechten (op literair,
muzikaal, artistiek, fotografisch en audiovisueel werk).
WIPO beheert 23 verdragen die cruciale aspecten van intellectuele
eigendom regelen. Een aantal van deze akkoorden gaan zelfs terug tot
eind 19de eeuw. De twee belangrijkste verdragen zijn het Verdrag voor
de bescherming van industriële eigendom (Parijs, 1883) en het
Verdrag voor de bescherming van artistieke en literaire werken (Bern,
1886). WIPO’s nieuwe beleid inzake het aanvaarden van aanbevelingen
– inzake de bescherming van bekende merken (1999), handelsmerklicenties
(2000) en merknamen op internet (2001) – is te beschouwen als
een aanvulling op de verdragrechtelijke benadering van het stellen
van internationale wettelijke normen.
WIPO helpt regeringen, organisaties en het bedrijfsleven; volgt nieuwe
ontwikkelingen op de voet en harmoniseert en vereenvoudigt regels
en procedures. De organisatie is zich ervan bewust dat er voortdurend
nieuwe internationale normen en regels nodig zijn die gelijke tred
houden met de ontwikkelingen op technologisch en zakelijk vlak, en
die inspelen op specifieke aangelegenheden zoals traditionele kennis,
folklore, biodiversiteit en biotechnologie.
Het Arbitrage- en Bemiddelingscentrum (AMC) van WIPO
helpt wereldwijd individuen en ondernemingen bij het oplossen van
geschillen. WIPO is ook de belangrijkste instantie voor het oplossen
van kwesties inzake misbruik bij de registratie en het gebruik van
domeinnamen (cybersquatting). Deze dienstverlening levert het agentschap
zowel voor de generieke domeinnamen, TLD’s (of ‘toplevel
domains’) zoals .com, .net, .org, en .info, als voor bepaalde
landcodedomeinen. De hele procedure gebeurt online met als grote voordeel
dat er binnen twee maanden uitvoerbare besluiten ter tafel liggen
en er veel minder kosten hoeven te worden gemaakt om tot een schikking
te komen.
Met de ‘digitale agenda’ probeert WIPO de verspreiding
van intellectuele eigendom op het vlak van muziek, film, handelskenmerken
en kennis op internet te bevorderen en tegelijkertijd toch de rechten
van auteurs en eigenaars te beschermen. De agenda moet ook de ontwikkelingslanden
bij het hele internetgebeuren betrekken, onder meer via het gebruik
van WIPOnet – een mondiaal informatienetwerk voor intellectuele
eigendom – en via het elektronisch verstrekken van informatie
en diensten.
WIPO biedt ontwikkelingslanden deskundig advies met betrekking tot
internationale octrooiaanvragen, de registratie van handelsmerken
en het deponeren van industriële ontwerpen, en stimuleert ontwikkelingslanden
om optimaal gebruik te maken van het systeem van intellectuele eigendom
om op nationaal vlak de creatieve activiteit te bevorderen, investeringen
aan te trekken en het pad te effenen voor de overdracht van technologie.
De organisatie biedt juridische en technische hulp bij de formulering
en herziening van nationale wetgeving. WIPO organiseert opleidingsprogramma’s
voor beleidsmakers, ambtenaren en studenten. De organisatie helpt
landen bij de automatisering van hun octrooiraden.
Voorts verschaft WIPO ook hulp bij internationale aanvragen voor industriële
eigendomsrechten. Vier WIPO-verdragen ter bescherming van uitvindingen
(octrooien), handelsmerken en industriële ontwerpen, maken internationale
registratie bindend voor alle lidstaten. De diensten die WIPO verleent
met betrekking tot deze verdragen vereenvoudigen de procedure en beperken
de kosten die zouden samenhangen met afzonderlijke aanvragen voor
elk land waar men een intellectueel eigendom wil beschermen.
Internationale statistieken
Regeringen, openbare instellingen en het bedrijfsleven zijn sterk
afhankelijk van relevante, nauwkeurige, vergelijkbare en actuele statistieken
op nationaal en mondiaal niveau. Al sinds haar oprichting doet de
VN dienst als belangrijkste bron voor statistieken.
De Statistische Commissie is het intergouvernementele
statistisch orgaan binnen de VN dat wereldwijd zorgt voor de harmonisering
van officiële statistieken. De commissie telt 24 lidstaten en
ontwikkelt methoden voor demografische, sociale en huisvestinggerelateerde
statistieken; formuleert principes en aanbevelingen voor volks- en
woningtellingen en voor steekproeven; en publiceert essentiële
statistieken met betrekking tot nationale bevolkingsregisters, nationale
rapporten, de productie van grondstoffen voor industrieel gebruik,
energie, internationale handel en milieu.
Onder leiding van de Statistische Commissie verzorgt de divisie Statistiek
van het Secretariaat een uitgebreide reeks statistieken en diensten
voor samenstellers en gebruikers van statistieken in de hele wereld.
De verzamelde gegevens en analytische publicaties, cd-rom’s
en internetdiensten omvatten onder meer het Statistical Yearbook,
het Monthly Bulletin of Statistics, het World Statistics
Pocketbook, de Statistics Newsletter en de official
database of the United Nations Millennium Development Goals indicators.
De Divisie publiceert ook gespecialiseerde uitgaven met demografische,
sociale en huisvestinggerelateerde statistieken; nationale economische
kerncijfers; met cijfers over industriële goederenstromen, energie,
internationale handel en het milieu, alsmede methodologische en technische
richtlijnen.
De Divisie probeert de statistische expertise in ontwikkelingslanden
zelf te verbeteren met technisch advies, opleidingen en workshops
rond verschillende thema’s die jaarlijks in de hele wereld worden
georganiseerd (zie http://unstats.un.org/unsd/).
Openbaar bestuur
De publieke sector van een land staat centraal bij de succesvolle
implementatie van nationale ontwikkelingsprogramma’s. Mondialisering,
democratisering en de informatierevolutie brengen nieuwe kansen met
zich mee die van grote invloed zijn op staten en hun functioneren.
Openbaar bestuur in een almaar veranderende wereld is een van de belangrijkste
uitdagingen voor nationale beleidsmakers en overheidsfunctionarissen.
Met het Programma voor openbare bestuur en financiën
helpt de VN landen met het versterken, verbeteren en hervormen van
bestuurlijke systemen en overheidsinstellingen. Dit programma, beheerd
door de Divisie voor openbare financiën en bestuurszaken
van DESA, zorgt ervoor dat het bestuur – met inbegrip van de
economische, bestuurlijke en financiële overheidsinstanties –
doeltreffend, alert, democratisch en met aandacht voor de armen functioneren.
Het programma stimuleert degelijk overheidsbeleid, doeltreffend en
alert openbaar bestuur, efficiënte en betrokken dienstverlening,
en bereidheid tot verandering.
De activiteiten variëren van het bijstaan van regeringen in ontwikkelingslanden
bij de ontwikkeling van nationale programma’s gericht op de
verbetering van het normbewustzijn; doorzichtigheid en persoonlijke
aansprakelijkheid in overheidsbeleid; capaciteitsopbouw bij plaatselijke
overheden en decentralisatie van verantwoordelijkheden; vernieuwing
van openbare diensten; hervorming van het ambtenarenapparaat; wederopbouw
van het landsbestuur en van overheidsinstellingen na een zwaar conflict;
de ontwikkeling van personeelsbeleid en goed management in de openbare
sector; en de reorganisatie en versterking van bestuurssystemen en
–instellingen.
Veel activiteiten maken zich sterk voor de zogeheten zuid-zuid-samenwerking
door aandacht te vragen voor het succes van die samenwerking en de
verbreiding van adequate handelwijzen, onder meer via het Online-netwerk
van de VN voor openbare bestuur en financiën (UNONPAF).
De divisie helpt ook bij de introductie van systemen, instrumenten,
technieken, procedures en processen – o.a. informatietechnologie
– bij het openbaar bestuur en de publieke dienstverlening, teneinde
de MDG’s te kunnen realiseren.
Wetenschap en technologie ten dienste van ontwikkeling
Sinds de jaren zestig bevordert de VN de praktische toepassing van
wetenschap en technologie ten dienste van de ontwikkeling van de lidstaten.
De Commissie voor wetenschap en technologie voor ontwikkeling,
een functionele commissie van ECOSOC, onderzoekt kwesties rond wetenschap
en technologie, en de gevolgen ervan voor ontwikkeling; ijvert voor
een beter begrip voor de noodzaak van een degelijk wetenschaps- en
technologiebeleid in ontwikkelingslanden; en formuleert aanbevelingen
inzake wetenschap en technologie binnen het VN-systeem. De Commissie
bestaat uit vertegenwoordigers uit 33 lidstaten en komt jaarlijks
bijeen. Bij die gelegenheid wordt het thema gekozen voor de activiteiten
en beraadslagingen in de periode tussen de zittingen. Het thema voor
2003-2004 was ‘De bevordering van de toepassing van wetenschap
en technologie met het oog op het bereiken van de doelen van Millenniumverklaring’.
UNCTAD ondersteunt de Commissie in belangrijke mate
en treedt ook op als secretariaat. De Conferentie stimuleert beleid
gericht op de opbouw van technologische kennis, op innovaties en op
technologieoverdracht naar ontwikkelingslanden. De organisatie biedt
ook technische steun op het vlak van informatietechnologie en bevordert
de opbouw van technologische knowhow in privé-bedrijven in
de vorm van samenwerkingsverbanden zoals partnerships en netwerken
tussen ondernemingen. Sinds kort legt de Conferentie zich toe op de
relatie tussen rechtstreekse buitenlandse investeringen en de overdracht
van technologie, en ook op de rol van technologie en vernieuwing bij
het versterken van de productiecapaciteit en de concurrentiepositie
op de exportmarkt. UNCTAD buigt zich verder ook over de gevolgen van
technologische vraagstukken bij handelsbesprekingen.
Ook FAO, ILO, UNESCO en UNIDO houden zich binnen de grenzen van hun
mandaat bezig met kwesties van wetenschappelijke en technologische
aard. Wetenschap ten dienste van ontwikkeling is ook een belangrijk
onderdeel van de activiteiten van UNESCO.

Terug Home
Terug naar boven
|